Home
  DataMap
  Limburgse Gemeenten
  Teuten
  GP Online
  Links
  Zoeken
  Gastenboek
  Contacteer ons
Welkom bij Geneapage Noord-Limburg
   

Limburgse teutenfamilies

Het teutenbedrijf, dat in de 16e eeuw in de Limburgse Kempen ontstond, hield stand tot de eerste decennia van de 20e eeuw. Een teut was een rondreizende handelaar die - meestal in kleine compagnieën - naar de omliggende landen trok om er handel te drijven. Zij verbleven in hun handelsgebied van begin maart tot december en keerden dan voor een seizoen van rust naar hun dorp terug.

Ambulante handel
De hoofdactiviteit van de teuten bestond erin om vanuit een vaste woonplaats die zij zich in hun handelsgebied hadden gekozen, de verspreide bewoners op het omliggende platteland hun diensten en waren aan te bieden in een tijd dat men daar geen winkels aantrof. Het assortiment koopwaar dat zij aanboden was slechts in de stad te koop.

Naar gelang hun specialiteit onderscheidde men in de teutenhandel :

- "koperteuten" : koperslagers en ketellappers, die niet alleen beschadigde potten en pannen herstelden, maar ook nieuwe koperwaar verkochten;

- "snyders" - ook wel "dierenlubbers" genoemd - die zich specialiseerden in het castreren van paarden, varkens, stieren en schapen. Soms dreven zij ook handel in deze dieren, zodat zij het beroep van veekoopman koppelden aan dat van veearts. Vaak was het uitoefenen van het "snyden" slechts een nevenactiviteit, die gemakkelijk toegang verschafte tot de boerderijen. Door het dagelijkse contact met de boerenbevolking bekwaamden sommigen zich in de verkoop van (klaver)zaden.

- "textielteuten" : handelaars in beddengoed, Brabantse kant, hoofdkussens, vilten hoeden, blauwe kielen, kousen, Mechels laken, linnen en katoenen weefsels, gordijnen, garen, naalden...

- "haarteuten" die het haar van jonge boerendochters opkochten en het aan pruikenmakers in de steden verkochten.

Kempense afkomst
Het verschijnsel van de teutenhandel kwam alleen in de Kempen voor en dan nog bijna uitsluitend in het Limburgse deel ervan. Het kerngebied lag tussen de gemeenten Lommel, Achel-Hamont-Bocholt en Hechtel.

Werk in het buitenland, rust thuis
De meest karakteristieke trek van de teuterij was de afwisseling tussen werk ver van huis met daarna het verblijf van enkele maanden in familiekring. De teuten waren dus geen emigranten of avonturiers die hun geluk in het buitenland zochten, integendeel, de band met de thuishaven was erg sterk. Gaandeweg kochten de teuten huizen in hun werkgebied, vaak met winkel, zodat zij tijdens het werkseizoen een permanente vestigingsplaats hadden. Toch vestigden slechts enkelen zich definitief in hun werkgebied.

Organisatie in kleine compagnieën
De teuten organiseerden zich al vroeg in kleine gezelschappen : één à twee teuten, meestal van hetzelfde dorp en vaak van aanverwante families, bundelden hun krachten om samen vanuit een bepaalde plaats hun beroep uit te oefenen. De voorwaarden werden onderhands of notarieel vastgelegd en de regels bepaalden ook de inbreng in de zaak, de verdeling van de winsten en de opname van nieuwe leden. Ieder teutengezelschap had zijn eigen gebied. Onderlinge concurrentie kwam amper voor.

Op GeneaPage vind je enkele teutenfamilies terug, families met rondtrekkende kooplui die vanuit de Kempen naar Holland, Friesland, Overijssel, Lotharingen of het Rijnland trokken om daar handel te drijven. Zij verbleven in hun handelsgebied van maart tot december en brachten dan een seizoen van rust in hun Kempische woonplaats door.

Limburgse teutenfamilies... een selectie

Kwartierstaat van Joannes Marianus LINDERS (°19-11-1845) uit Sint-Huibrechts-Lille en teut te Dordrecht (Z.-H., NL)

Kwartierstaat van Hubertus Josephus LINMANS (°16-04-1898) uit Eksel, "buitenlands koopman".

Kwartierstaat van Ludovicus Theodorus WITTERS (°07-10-1882) uit Eksel en teut te Leiden (Z.-H.,NL)